Visie OM op informatiegestuurde opsporing en op intelligence

Home  >>  In de media  >>  Visie OM op informatiegestuurde opsporing en op intelligence

Visie OM op informatiegestuurde opsporing en op intelligence

1
dec,2009

0

De twee kerntaken van het Openbaar Ministerie (OM), het juridisch zuiver toepassen van het strafrecht en dat strafrecht vervolgens maatschappelijk doeltreffend inzetten, hebben als doel om de veiligheid in de samenleving te vergroten en de criminaliteit te bestrijden. Het gaat hierbij om twee uiteenlopende waarden waartussen voortdurend spanning bestaat. Aan de ene kant moet de rechtsstatelijke kwaliteit en de rechtshandhaving worden gewaarborgd, aan de andere kant moet de rechtshandhaving ook doelmatig zijn.

De rol die het OM heeft, is die van sturing op de opsporing en de vervolging van concrete zaken. Zij moet telkens een afweging maken tussen de in te zetten opsporingscapaciteit en het te verwachten resultaat. Wanneer de strafrechtelijke interventies zijn ingebed of worden gecombineerd met andere, bijvoorbeeld bestuurlijke maatregelen zal het speelveld rondom de aanpak van criminaliteit groter worden. Dat betekent concreet dat het OM meer zal moeten investeren in het aangaan en onderhouden van intensieve relaties met betrokken partners.

Om de juiste keuzes te kunnen maken, zal het OM zich het volgende moeten afvragen.
– Welke interventiestrategie lijkt de meest succesvolle?
– Kan het probleem strafrechtelijk, bestuursrechtelijk of anderszins worden aangepakt?
– Zo ja, met behulp van welke externe (opsporings)instanties?
– Wordt het strafrecht als ultimum remedium ingezet?
– Wat is het uiteindelijke resultaat?

Om deze vragen te kunnen beantwoorden, is een zo volledig mogelijk beeld nodig van een maatschappelijk criminaliteitsprobleem. Op basis hiervan kan het type interventie en de inzet van opsporingscapaciteit worden gekozen. Ook is het van belang dat het beeld actueel is, zodat snel kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in de criminaliteit.
Met de resultaten van de strafrechtelijke onderzoeken moeten afwegingen en keuzes worden gemaakt en worden bekeken of de beoogde resultaten zijn geleverd en er handvatten zijn voor de vervolgaanpak van een bepaalde criminaliteitsvorm.

Visie op informatiegestuurde opsporing
De versterkte oriëntatie van het OM op de maatschappelijke veiligheid vereist een versteviging van de informatiepositie.
Al sinds de start van Abrio werkt de politie aan het concept van ‘informatiegestuurde politie’. De waarnemingen op straat en het verzamelen van informatie moeten sturing geven aan het dagelijkse operationele politiewerk. De problemen die er liggen zijn dat:
– informatiegestuurde politie nog lang niet in alle korpsen gemeengoed is,
– de informatie nog niet wordt gedeeld met alle politieonderdelen en ook niet met het OM;
– het OM zijn informatiebehoefte nog niet goed kenbaar kan maken.

Het OM moet in nauw overleg met de politie de goede keuzes kunnen maken en trends kunnen signaleren, maar ook voorspellingen kunnen doen over ontwikkelingen van de criminaliteit en er de juiste reactie op kunnen geven, zowel preventief als reactief. Het moet tijdig het beleid kunnen bijstellen.
Het OM is verantwoordelijk voor het keuze- en prioriteringsproces. Tot nu toe kan die rol niet goed worden ingevuld omdat het OM niet over alle informatie beschikt die daarvoor nodig is. Daarom zal elk regiokorps en elk parket een informatie-inwinstrategie moeten hebben, gericht op:
– het kunnen stellen van prioriteiten. Zowel op nationaal als op regionaal niveau moet er zicht zijn op de aard, omvang en ontwikkeling van de criminaliteit;
– het nader kunnen bepalen van delicttypen waarop opsporingscapaciteit moet worden ingezet of bestuurlijke inzet gewenst is en het bepalen van de strategie. Om vast te kunnen stellen op welke keuzes/prioriteiten wie met name welke inzet pleegt, is het nodig te weten hoe een bepaald criminaliteitsprobleem in elkaar steekt, welke de criminogene factoren zijn, wie de mogelijke facilitators zijn, welke dadergroepen actief zijn, welke modus operandus wordt gehanteerd en hoe de geld-, goederen-, mensen- en/of financiële stromen lopen;
– het selecteren van rechercheonderzoeken. Op tactisch niveau, aan de hand van pre-weegdocumenten en van projectvoorstellen wordt afgewogen welke onderzoeken moeten worden uitgevoerd;
– zicht hebben op zaken. Om onderzoeken goed te kunnen selecteren is het nodig zicht te hebben en te houden op het (potentiële) werkaanbod: welke onderzoeken moeten in ieder geval worden aangepakt om welk resultaat te bereiken, welke onderzoeken zijn aangepakt, kunnen nog niet worden aangepakt, blijven te lang liggen en welke worden vervolgens niet meer aangepakt?;
– verantwoorden van keuzes en resultaten ten behoeve van het maken van nieuwe keuzes en het bijstellen van de strategie. Nadat de onderzoeken zijn afgerond worden afloopberichten opgemaakt. Op basis van de afloopberichten moet beargumenteerd aangegeven kunnen worden wat aan de prioriteiten is gedaan, welke inzet is gepleegd en tot welke resultaten dat heeft geleid.

Ook worden er bestuurlijke rapportages gemaakt. Daarin wordt opgenomen waar welke factoren de criminaliteit bevorderen. Er worden adviezen opgenomen over te nemen maatregelen door het bestuur waarmee barrières kunnen worden opgeworpen om de criminaliteit tegen te houden.1

Om hiervoor genoemde sturing en verantwoording te kunnen realiseren zijn informatieproducten nodig. Deze informatieproducten zijn opgenomen in de, door politie en OM ontworpen, Intelligence piramide:

Cyclisch proces
De Intelligence piramide geeft een proces weer van koppeling en terugkoppeling van strategisch beleid – uitvoering en resultaatverantwoording. In dat gehele proces zullen de informatieknooppunten van de politie en de afdelingen Beleid en Strategie van het Openbaar Ministerie een grote rol moeten gaan spelen.

De informatieproducten zijn de basis en de ondersteuning van het cyclisch proces. Met het Nationaal Dreigingsbeeld (NDB) en de regionale CBA’s (zwacri en aangiftecriminaliteit) moet er zicht zijn op de nationale dreigingen, aard, omvang en ontwikkeling van de landelijke en (boven)regionale criminaliteit. Op basis hiervan worden keuzes gemaakt, die nader uitgediept en geanalyseerd worden in de vorm van zogenoemde CBA’s+.

Deze keuzes zijn de basis voor een efficiënte inzet van opsporingscapaciteit. In de afloopberichten wordt beargumenteerd aangegeven welke inzet is gepleegd en tot welke resultaten dat heeft geleid. In de bestuurlijke rapportages is informatie opgenomen die het bestuur kan dienen voor de bestuurlijke aanpak van de criminaliteit.

Sturing
Zowel politie als OM stuurt [cursief]met[/cursief] informatie als [cursief]op[/cursief] informatie.
Het sturen [cursief]met[/cursief] informatie wil zeggen dat inhoudelijke keuzes gerelateerd zijn aan goede diagnoses/analyses van het probleem. De keuzes worden op alle niveaus gemaakt en de verantwoording over de resultaten wordt ook op alle niveaus afgelegd.

Het sturen op informatie wil zeggen dat beslist wordt welke informatie van belang is om de juiste afwegingen te kunnen maken in de keuze- en beslissingsprocessen op alle niveaus. De kwaliteit van informatie is uiterst belangrijk. De te maken keuzes zijn immers afhankelijk van goed vastgelegde en juiste, actuele informatie.

Nationaal Intelligence Model (NIM)
Om die sturing vorm te geven, heeft de politie, in overleg met het OM, het Nationaal Informatie Model (NIM) ontworpen. Het NIM probeert het ingewikkelde sturingsproces in een helder schema te vatten. Het bepaalt dat elk sturingsniveau een zogenoemde weeg- en stuurploeg nodig heeft bestaande uit openbaar bestuur, Openbaar Ministerie en de politie. Om informatiegestuurde politie mogelijk te maken, zal, volgens de politie, de structuur van sturen en beslissen moeten worden herzien. Daar lopen de meningen van politie en OM uiteen. Het OM is namelijk van mening dat de huidige structuur bestaande uit driehoeken en weeg- en stuurploegen, vooralsnog voldoet: de driehoeken sturen op strategisch en tactisch niveau en de weeg- en stuurploegen, bestaande uit politie en OM, sturen op tactisch en operationeel niveau.

Politie en OM hebben nu afgesproken de energie te steken in de ontwikkeling van de voor sturing benodigde producten.

Indien de aangegeven sturingsmomenten worden ondersteund door informatieproducten kan het cyclisch beleidsproces gaan werken. Dan zal ook blijken of de huidige structuur van sturing door de driehoeken, en door de weeg- en stuurploegen al dan niet voldoet.

Intelligence-agenda
De politie houdt zich al langer bezig met de vraag hoe informatiegestuurde opsporing vorm te geven. Het OM kan daar nog veel van leren. Het OM zal moeten leren om zijn informatiebehoefte duidelijk kenbaar te maken aan de politie. In overleg met de politie moet het OM kunnen vaststellen over welke problemen te weinig informatie bestaat of op welke signalen uit de samenleving de informatiepositie moet worden versterkt en/of de kennis vergroot. Die informatiebehoefte wordt, met een planning, vastgelegd in een zogenoemde intelligence-agenda. Deze intelligence-agenda is voor de politie onder andere de leidraad voor de informatie-inwinning.

Informatiegestuurde opsporing
Met de realisering van alle genoemde producten is het nationale en het regionale niveau goed gedekt. Daarmee is nog niet gegarandeerd dat er voldoende zicht is op alle actuele ontwikkelingen in de criminaliteit.

Voor informatiegestuurde opsporing zijn de hiervoor genoemde informatieproducten weliswaar een voorwaarde, maar het is niet genoeg.

Gewoonlijk wordt de aanpak van criminaliteit gebaseerd op de geregistreerde gegevens bij de politie, op de huidige veiligheidsmonitor en, zodra dat mogelijk is, op de hiervoor beschreven en te ontwikkelen criminaliteitsbeelden. Het zijn gegevens die iets zeggen over wat is geweest, maar niet over wat nu gebeurt en morgen kan gebeuren en wat daarvan de risico’s zijn. Naast het verklaren van historische gegevens is het interessant om actuele ontwikkelingen te kunnen zien. Daarin spelen de oog- en oorfunctie van de politie, de signaleringsfunctie, een grote rol.

Bij informatiegestuurd werken gaat het om een voortdurend proces van waarnemen van problemen, het herkennen en analyseren daarvan, waarbij ook mogelijke toekomstige ontwikkelingen of bedreigingen/risico‘s worden betrokken. Het gaat om de beantwoording van vragen over wat er in de samenleving speelt, welke omgevingsinvloeden van belang zijn en wat dat betekent voor de criminaliteit. Het gaat om de beantwoording van vragen als welke problematiek speelt in aangrenzende regio’s of in gebieden waarmee de desbetreffende regio in verbinding staat, op welke gesignaleerde problemen/dreigende risico’s de informatiepositie moet worden verbeterd. Het gaat om ‘als… wat’-vragen.

– Als de douane investeert in het scannen van containers, wat kunnen daarvan de gevolgen zijn in de criminaliteit?
– Als er een effectief middel is gevonden om bepaalde criminaliteit tegen te houden, wat zijn dan de gevolgen?
– Als er samen met het bestuur en andere instanties barrières opgeworpen zijn om het voor de criminaliteit moeilijk te maken, wat gaat de criminaliteit dan doen?
– Als er wordt ingegrepen in het logistieke netwerk van (georganiseerde) criminaliteit, wat betekent dat dan? Enzovoort.

Passende en effectieve reacties zijn mogelijk als geanticipeerd kan worden op mogelijke bedreigingen en/of op mogelijke toekomstige ontwikkelingen in de criminaliteit. Dan moet wel bekend zijn welke interventies wanneer het meest effectief zijn.

Beantwoording van hiervoor gestelde vragen veronderstelt het delen van informatie tussen (alle onderdelen van) korpsen, tussen politie en OM en ook tussen alle OM-onderdelen. Ook veronderstelt het samenwerking met andere (opsporings)instanties, bijvoorbeeld gemeenten, de Regionale Informatie- en Expertisecentra (Riec’s)2, bijzondere opsporingsdiensten, bepaalde beroepsgroepen in de samenleving enzovoort. Kenmerkend is dat het inzicht vanuit verschillende invalshoeken wordt belicht, dat de gegevens afkomstig zijn van verschillende bronnen, dat er gewerkt wordt met algemene hypothesen, dat het toekomstgericht is en niet uitsluitend een strafrechtelijke invalshoek heeft.

Gezamenlijk proces
Hoewel de politie in de ontwikkeling al verder gevorderd is dan het OM, staat het gezamenlijke proces van informatiegestuurde opsporing nog in de kinderschoenen. Enerzijds wordt de bemoeienis van het OM met het intelligenceproces met argusogen bezien (komt het OM niet te dichtbij, neemt het OM het werk van de politie over?), anderzijds heeft het OM zich te lang afzijdig gehouden en zijn informatiebehoefte niet duidelijk gemaakt. OM en politie zullen dan ook nog veel meer dan nu het geval is, met elkaar in gesprek moeten over het inwinnen van informatie: welke problemen spelen er? Welke informatie is waarom nodig? Met wie moet die informatie worden gedeeld? Enzovoort.

In dat gesprek krijgen de informatieofficier en de criminoloog een belangrijke rol. Zij bouwen een netwerk op van informatieleverende partijen waarvan politie en gemeentebesturen de belangrijkste zullen zijn. Zij zorgen er ook voor dat de kennis over welke aanpak de meest geëigende is, zowel binnen het OM als in samenspraak met de politie, wordt vergroot. Zo ver is het nog niet.
Momenteel zijn binnen het OM samen met de politie werkgroepen ingesteld die ervoor moeten gaan zorgen dat de benodigde producten ontwikkeld worden, dat het intelligenceproces gaat werken en dat de professie zowel binnen de politie als binnen het OM wordt vergroot.

Beleid en Strategie/informatieofficier en criminologen
De weergegeven rol van het OM kan alleen goed vervuld worden binnen een structuur waar professioneel gestuurd wordt op de vraag naar informatie en op de vertaling daarvan naar de parketorganisatie. Die professionaliteit moet binnen het OM nog vorm krijgen binnen de op te zetten afdelingen Beleid en Strategie. Binnen die afdeling is de informatieofficier, samen met de criminoloog, de informatiemakelaar. De criminoloog adviseert, indien nodig, daarnaast ook over interventiestrategieën. Samen vervullen zij een rol tussen politie en OM maar ook tussen andere externe (opsporings)instanties en het OM. De informatieofficier is verantwoordelijk voor een gedegen informatiepositie (op strategisch, tactisch en operationeel niveau) en voor een goede advisering aan het OM op alle niveaus, opdat:

– de parketleiding keuzes kan maken op basis van goede CBA’s;
– de afdeling Beleid en Strategie afspraken kan maken in de driehoeken over bijvoorbeeld de programmatische aanpak op basis van CBA’s+;
– de rechercheofficieren in de stuurgroepen tactische keuzes kunnen maken op basis van goede en volledige informatie (tactische analyses, csv’s);
– onderzoeksresultaten worden teruggekoppeld en weer input vormen voor de nieuwe informatiecyclus en -producten;
– mede op basis van signalen uit verschillende bronnen en uit de maatschappelijke omgeving de informatieofficier kan bepalen of en op welk thema de informatiepositie moet worden versterkt.
Om dat te kunnen bewerkstelligen is niet alleen een goede relatie nodig met de politieorganisatie maar ook met het bestuur, het bedrijfsleven en de wetenschap.

Hugo Hillenaar is werkzaam als hoofdofficier te Breda en is projectleider Intelligence.
Etty van Steeg is beleidsadviseur Parket-Generaal.

Foto: Roel Dijkstra

Bron: websitevoordepolitie.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>